Een recente studie in het wetenschappelijk tijdschrift Ecography toont aan dat intensieve jacht op coyotes op de lange termijn een averechts effect heeft. De jacht leidt tot een jongere populatie met een hogere voortplantingssnelheid, waardoor hun aantallen juist toenemen.

De coyote, of prairiewolf, is uiterst flexibel in zijn aanpassingsvermogen aan menselijke invloeden. In Noord-Amerika heeft dit geleid tot drastische jachtmethoden, zoals het schieten vanuit helikopters of luchtballonnen. Dit soort ingrepen, vaak ingegeven door angst, herhaalt zich wereldwijd. In Zweden bijvoorbeeld, waar recent op 500 bruine beren werd gejaagd, woedt de discussie over de effectiviteit en ethiek van jacht.

Ook in Nederland klinkt een vergelijkbare roep om “beheer” en afschot van wolven. De parallellen met de situatie rond coyotes zijn opvallend: jacht op wolven kan leiden tot een toename van hun populatie. Onderzoek toont aan dat het doden van wolven de sociale structuur binnen roedels verstoort. Dit resulteert in hogere voortplantingscijfers en een jongere, productievere populatie. Een studie van de Washington State University stelde zelfs vast dat voor elke gedode wolf het aantal door wolven gedood vee met 4% toenam in het daaropvolgende jaar.

Daarnaast kan het verkleinen van de populatie leiden tot een verlies van territoriale controle. Hierdoor verspreiden jonge wolven zich over grotere gebieden en vormen ze nieuwe roedels. Dit versterkt juist de problemen die de jacht probeert op te lossen.

Om effectief en duurzaam natuurbeheer te realiseren, is het essentieel om deze dynamieken te begrijpen. Ongecontroleerde jachtpraktijken hebben vaak onbedoelde gevolgen die de oorspronkelijke problemen verergeren.

De oplossing ligt in het volledig beëindigen van de jacht, het beschermen van vee zoals wettelijk verplicht is, en opnieuw leren omgaan met de aanwezigheid van de wolf. Alleen dan kan een evenwichtige balans tussen mens en natuur worden bereikt.